Rb. Den Haag 4 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2237

De stichting is opgericht in 2015 en oefent een rechtspraktijk uit. De stichting heeft aangiften vennootschapsbelasting ingediend voor de jaren 2015 (belastbaar bedrag € 43.702) en 2016 (belastbaar bedrag -/- € 40.763). Verweerder stelt de aanslag 2015 vast naar een belastbaar bedrag € 43.702 en stelt het verlies over het jaar 2016 op nihil op grond van artikel 6, eerste lid, laatste volzin, van de Wet Vpb. De rechtbank neemt de gronden over van het Hof Arnhem-Leeuwarden van de uitspraak van 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:467. Eiseres voldoet niet aan de eerste winstgrens, omdat de winst van het jaar 2015 meer bedraagt dan € 15.000. Eiseres voldoet evenmin aan de tweede winstgrens, omdat zij nog geen vijf jaren bestaat en zij niet aan het vereiste van “vier daaraan voorafgaande jaren” kan voldoen. De pro rata-benadering vormt een tegemoetkoming en kan eiseres niet baten aangezien de naar rato berekende tweede winstgrens eveneens € 15.000 vormt. Voor het jaar 2016 had eiseres het verzoek, om niet van de vennootschapsbelasting te zijn vrijgesteld, uiterlijk gelijktijdig met de aangifte over het desbetreffende jaar moeten indienen. Het later gepubliceerde besluit van 19 september 2018, nr. 2018-155144, Stcrt. 2018, 54139, waarin de termijn is verruimd, kan verweerder niet worden tegengeworpen. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken