Rb. Den Haag 9 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2085
Dublin-Frankrijk, mensenhandel, bedenktijd, geen gelegenheid aangifte te doen, Art. 6, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 (betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie 2004/81/EG). De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG in het nationale recht bepaald moet worden wanneer de te gunnen bedenktijd een aanvang neemt. Die bepaling van de Richtlijn 2004/81/EG is, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, niet geïmplementeerd in het Nederlandse recht. Dat volgens de Vc de duur van de bedenktijd ten minste drie maanden dient te zijn, is niet een zodanige implementatie. De Vc is slechts een beleidsregel en geen algemeen verbindend voorschrift; er staat ook niet in wanneer de bedenktijd aanvangt en wat de feitelijke duur ervan is. Aangezien Nederland de Richtlijn 2004/81/EG niet behoorlijk heeft geïmplementeerd en artikel 6 daarvan geschikt is om door de rechter te worden toegepast, werkt die bepaling rechtstreeks door in de nationale rechtsorde. Dat betekent dat op grond van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/81/EG, geen enkele verwijderingsmaatregel tegen eiseres en haar kind ten uitvoer kan worden gelegd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting laten weten dat van een feitelijke verwijdering van het grondgebied van Nederland op basis van het bestreden overdrachtsbesluit nog geen sprake is. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl