Rb. Den Haag 3 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1595

Niet gebleken is dat eiser ten tijde van de stopzetting van de loonbetaling op basis van medisch advies in staat kon worden geacht zijn werk te hervatten. Bovendien moest verweeder toestemming geven om het werk te hervatten. Onder deze omstandigheden heeft verweerder op goede gronden bepaald dat eiser geen aanspraak meer had op doorbetaling van zijn bezoldiging. Omdat het beroep ongegrond is, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen, voor zover dat betrekking heeft op de stopzetting van de loonbetaling en de daarmee samenhangende brieven. De rechtbank is verder van oordeel dat redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd eerst verweerder te vragen om vergoeding van zijn gestelde schade als gevolg van het ontslagbesluit. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in de situatie waarin het bestuursorgaan al een standpunt heeft ingenomen het mogelijk is dat de verzoeker direct de gang naar de rechter maakt. Die situatie doet zich voor. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde immateriele schade het gevolg is van het ontslagbesluit. Op basis van artikel 8:88 van de Awb kan voorts geen vergoeding van eisers advocaatkosten worden toegekend. Het verzoek om schadevergoeding wordt ook afgewezen, voor zover dat betrekking heeft op het ontslagbesluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken