Rb. Den Haag 21 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1492
Nareis. Eiseres is de moeder van referent. Referent was ten tijde van zijn asielaanvraag en tijdens de eerste nareisaanvraag minderjarig en is tijdens deze eerste nareisprocedure meerderjarig geworden. Referent heeft de eerste nareisaanvraag voor eiseres ingediend binnen een termijn van drie maanden en verweerder heeft deze aanvraag beoordeeld op grond van de gunstigere regels voor (minderjarige) houders van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft deze aanvraag vervolgens afgewezen omdat eiseres niet beschikbaar was voor onderzoek. Verweerder heeft de huidige (tweede) nareisaanvraag afgewezen, omdat referent inmiddels meerderjarig is. De rechtbank ziet in het arrest A. en S. geen aanknopingspunten voor het oordeel dat referent ook bij een (tweede) nareisaanvraag, die ruimschoots na de termijn van drie maanden is ingediend, nog altijd als minderjarige had moeten worden aangemerkt. Dat zou namelijk betekenen dat referent zich zonder enige tijdsbeperking op zijn minderjarigheid kan beroepen, wat in is met punt 61 uit dit arrest. Dat de eerste aanvraag is afgewezen als gevolg van omstandigheden waar referent en eiseres geen invloed op hadden, is in dit kader niet doorslaggevend. Deze zittingsplaats komt daarmee tot een ander oordeel dan de zittingsplaats Zwolle en tot hetzelfde oordeel als de zittingsplaatsen Amsterdam en Haarlem. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl