Rb. Den Haag 12 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14133

Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht en aan eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd omdat eiser is veroordeeld voor mensensmokkel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest Ahmed en de voormelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:226) niet volgt dat als door de vreemdeling bij het misdrijf geen geweld of een wapen is gebruikt geen sprake kan zijn van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b van de Kwalificatierichtlijn. Het gebruik van geweld of een wapen wordt door de Afdeling enkel genoemd als één van de criteria waarnaar door verweerder onderzoek moet worden gedaan. Ook de in artikel 4, tweede lid van de Richtlijn ter voorkoming van mensenhandel genoemde aspecten, hoefde verweerder niet, althans niet expliciet mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf in de hierboven bedoelde zin. Deze richtlijn heeft immers geen betrekking op het vreemdelingenrecht, maar heeft als doel minimumregels vast te stellen over de omschrijving van strafbare feiten en straffen op het gebied van mensenhandel. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van eiser nog een actuele bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het misdrijf heeft drie jaar geleden plaatsgevonden en uit het reclasseringsadvies, zijnde een deskundigenadvies, is over eiser opgenomen dat het recidiverisico laag is, dat eiser een first offender is, dat hij nu weet dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dat het fout was. Verweerders standpunt dat het gerechtshof ondanks het reclasseringsadvies een voorwaardelijke straf heeft opgelegd, is voor de beoordeling of eiser nog een werkelijk en voldoende bedreiging vormt die ook voldoende actueel is onvoldoende om aan de inhoud van het reclasseringsrapport geen betekenis te hechten. Daar komt bij dat eiser er terecht op heeft gewezen dat hij sinds zijn vrijlating in december 2018 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, hij werk heeft gezocht en bezig was met een opleiding. Hieruit kan een positieve gedragsverandering worden afgeleid. Ook dit is door verweerder onvoldoende meegewogen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoend gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken