Rb. Den Haag 27 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12154
Toevoeging na publicatie: De verzoeken zijn na het uitspreken van deze beschikking ingetrokken, zodat niet zal worden overgegaan tot het stellen van de geformuleerde prejudiciële vragen aan het HvJEU. AVG-zaak. Partijen strijden onder meer over de ontvankelijkheid van de verzoeken. Verzoeker heeft bij Google verzoeken ingediend tot het verwijderen van bepaalde zoekresultaten. Na of vlak voor het verstrijken van de zes-weken-termijn van art. 35 UAVG dient hij een nieuw herhaald verzoek in. Volgens betrokkene heeft hij op grond van artikel 21 lid 1 AVG het recht 'te allen tijde' om verwijdering te verzoeken en is als gevolg van het herhaalde verzoek een nieuwe termijn van zes weken gestart. De rechtbank is voornemens prejudiële vragen te stellen aan het HvJEU over de uitleg van - onder meer - artikel 21 lid 1 AVG. De rechtbank vraagt zich met name af of het op grond van artikel 21 AVG (gezien de woorden 'te allen tijde') ook is toegestaan na ontvangst van een afwijzende beslissing een identiek herhaald verzoek in te dienen en zo ja, of Google dan een beroep toekomt op artikel 12 lid 5 AVG. Ook vraagt de rechtbank zich af of hierbij nog betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de nationale wetgever een termijn heeft gesteld voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een afwijzende beslissing van Google. Ook vraagt de rechtbank zich af of nog betekenis toekomt aan de omstandigheid dat betrokkene van meet af aan werd bijgestaan door een advocaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl