Rb. Den Haag 9 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11257

Terugwijzing door de Afdeling maakt door tijdsverloop de procedure bijzonder complex – honoreren grief berust naar het oordeel van de rechtbank op het deels niet onderkennen van de strekking van de uitspraak van de rechtbank en stelt de rechtbank voor het dilemma of de uitspraak van de Afdeling desondanks in acht moet worden genomen – verweerder moet kenbaar betrekken dat eiser minderjarig was ten tijde het relaas en moet motiveren dat hij kennis heeft hoe een minderjarige jongen die opgroeit in Afghanistan ontdekt dat hij homoseksueel is en een eerste relatie aangaat zich zal gedragen - beroep gegrond. Eiser heeft in 2018 een opvolgende aanvraag ingediend en een homoseksuele geaardheid, relatie en daaruit voortvloeiende problemen als asielmotief benoemd. De rechtbank doet uitspraak op 14 december 2018, de Afdeling beslist op 8 juli 2020 op het hoger beroep tegen deze uitspraak en draagt de rechtbank op zijn uitspraak in acht te nemen. Eiser heeft inmiddels, omdat er geen zicht was op een uitspraakdatum van de Afdeling waar eiser wel contact over heeft opgenomen met de Afdeling een “beroep niet tijdig”-procedure gestart. Op het moment dat de rechtbank de zaak na de terugwijzing moet behandelen zijn er, naast nieuw opgekomen asielmotieven, in de tweede procedure ook een voornemen en zienswijze uitgebracht die zien op het gehoor uit 2018. De wijze van terugwijzen door de Afdeling stelt de rechtbank voor een dilemma. De rechtbank is opgedragen de overwegingen van de Afdeling met betrekking tot de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling over te nemen, terwijl wel tot een nieuwe beoordeling van het beroep moet worden gekomen. De rechtbank overweegt dat het in acht moeten nemen van een overweging van de Afdeling die naar het oordeel van de rechtbank de strekking van de rechtbank-uitspraak deels miskent, de rechtbank niet in staat stelt invulling te geven aan haar eigen rechtsprekende taak, de rechtbank daarmee beperkt in het uitvoeren van de opdracht die de rechtbank in eerste aanleg heeft en daarmee niet verenigbaar is. De rechtbank kan dan ook, gelet op de concrete omstandigheden van dit geval, niet anders dan de overweging van de Afdeling dat verweerder niet ten onrechte bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken dat er een mvv-aanvraag op naam van eiser gedurende de eerste procedure is gedaan passeren. Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de minderjarigheid van eiser en bij de geloofwaardigheidsbeoordeling een gedragsdeskundige moeten betrekken als hij zich op het standpunt stelt dat de gedragingen van eiser dermate afwijken van zijn vooronderstelling over hoe een kind in Afghanistan zich gedraagt als hij ontdekt dat hij homoseksueel is, als hij een eerste relatie aangaat en of het reëel is om te verwachten dat een kind op dat moment bij een eerste (homoseksuele) relatie bezig is met het maken van toekomstplannen terwijl hij opgroeit in een land waar homoseksualiteit een artikel 3 EVRM-vrees oplevert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen