Rb. Den Haag 3 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10979
Er is sprake van een langlopend conflict tussen eiser en verweerder. Bij vonnis in kort geding van 7 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat eiser misbruik van recht maakt. De voorzieningenrechter heeft eiser – kort gezegd – verboden om zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen, en e-mails of op welke wijze dan ook te richten tot verweerder, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,-. Bij arrest in kort geding van 25 februari 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep het voormelde vonnis van 7 februari 2019 bekrachtigd. Bij vonnis in kort geding van 31 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat de termijn van twee jaar waarin eiser verweerder niet mag benaderen zoals omschreven in het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 nog niet is verstreken en dat het aantal contacten van eiser in die termijn aanzienlijk groter was dan hem op grond van dat kort gedingvonnis was toegestaan. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen het contactverbod te versterken met een (nieuwe/extra) dwangsombepaling, in die zin dat eiser een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke keer dat hij het hem in het vonnis van 7 februari 2019 opgelegde verbod overtreedt. Gebleken is dat eiser zich stelselmatig niet houdt aan voormeld verbod. Eiser heeft grote aantallen aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in andere door hem aangespannen beroepsprocedures en is feitelijk onverdroten doorgegaan met het benaderen van verweerder. De rechtbank oordeelt dat op grond van het door de kort geding-rechter opgelegde verbod, zoals dat door het gerechtshof is bekrachtigd, en de stelselmatige, voortdurende overtreding daarvan door eiser moet worden aangenomen dat ook bij het instellen van alle voorliggende bestuursrechtelijke beroepsprocedures die zijn gevolgd op door eiser in de verbodsperiode gedane aanvragen, in alle gevallen misbruik van recht moet worden aangenomen, zodat die beroepen alleen al daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien (1) eiser met bewijsstukken aantoont dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan, en indien (2) uit de beroepsgronden aanstonds zou blijken dat het bij deze beroepen gaat om een reëel geschilpunt in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan beide voorwaarden heeft voldaan. In vrijwel alle zaken maakt eiser niet alleen misbruik van recht door de doorwerking van de civiele uitspraken, maar maakt eiser naar inhoud, handelwijze en proceshouding ook misbruik van procesrecht. De rechtbank overweegt dat het eiser in alle hier voorliggende zaken voor zover die zien op bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht op enig moment duidelijk is geworden of redelijkerwijs duidelijk had moeten worden dat de kosten voor het griffierecht in de onderliggende procedure niet (of niet meer) gemaakt zouden worden omdat het beroep in de onderliggende procedure niet-ontvankelijk was verklaard, dan wel omdat eisers beroep op betalingsonmacht in de onderliggende procedure was toegewezen. Desondanks heeft eiser al zijn aanvragen, bezwaren en beroepen gehandhaafd, zonder verweerder of de rechtbank te informeren wat er met de ‘onderliggende’ zaken is gebeurd. Ook door al zijn bezwaren en beroepen te handhaven terwijl eiser weet dat de kosten zich niet voordoen of niet meer zullen voordoen, maakt eiser misbruik van recht. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke verklaring gegeven waarom hij zijn aanvragen, bezwaren en beroepen handhaaft. Daarbij komt nog het volgende. Eiser heeft alleen al in de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 augustus 2020 179 beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend bij het team van de rechtbank dat bijstandszaken behandelt. Daarmee is eiser verantwoordelijk voor 10% van de instroom aan zaken bij dat team. Bij de voorlopige voorzieningen hebben de verzoeken van eiser over dezelfde periode een aandeel van 27,8%. Met deze beroepen en verzoeken belast eiser aldus het gerechtelijk apparaat onevenredig. Belangrijker is echter dat de handelwijze van eiser de behandeling van beroepen en verzoeken van andere burgers verstoort en vertraagt. Met zijn talloze kansloze beroepen en verzoeken miskent eiser het in het verbod van misbruik van bevoegdheid tot uitdrukking gebrachte bewustzijn dat hij, ook bij de uitoefening van rechten en bevoegdheden waartoe hij op grond van het recht in beginsel gerechtigd is, behoort te letten op de belangen van degenen, tot wie hij bij en door de uitoefening van die rechten en bevoegdheden in maatschappelijke relatie staat of treedt, waaronder de rechtbank en zelfs de andere burgers die een beroep op de rechtspraak moeten kunnen doen. Ten slotte weegt de rechtbank de proceshouding van eiser mee als het gaat om de behandeling van zijn beroepen ter zitting. Eiser verzoekt voortdurend om uitstel van zittingen en spreiding van de behandeling van de vele door hemzelf ingestelde beroepsprocedures. Daar staat echter tegenover dat eiser bij voortduring, en in grote aantallen tegelijk, verzoeken om voorlopige voorzieningen in lopende bodemzaken indient, waarbij hij stelt spoedeisend belang te hebben. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in een tijdsbestek van nog geen vier maanden bijna 90 verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen in uitspraken van 26 mei 2020 , 5 juni 2020 , 8 juni 2020 , 17 juni 2020 , 27 juli 2020 , 11 augustus 2020 en 16 september 2020. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser zijn rechten en bevoegdheden in deze en soortgelijke zaken zodanig evident zonder redelijk doel heeft aangewend of heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden daarvan blijkt geeft van kwade trouw. Daarom is in alle zaken sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal alle beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 16 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9144
- Rb. Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8497
- Rb. Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8498
- Rb. Den Haag 31 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8457
- Rb. Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8481
- Rb. Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8482
- Rb. Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8483
- Rb. Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8484
- Rb. Den Haag 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8485
- Rb. Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7686
- Rb. Den Haag 27 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7007
- Rb. Den Haag 17 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5421
- Rb. Den Haag 8 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5117
- Rb. Den Haag 5 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4980
- Rb. Den Haag 26 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4669
- Rb. Den Haag 26 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4670
- Hof Den Haag 25 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:287
- Rb. Den Haag 4 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11676
- Rb. Den Haag 2 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10313
- Rb. Den Haag 2 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10315