Rb. Den Haag 7 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8345

Mvv nareis bij gestelde vader (referent) in Nederland. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en verblijft met de huidige echtgenote van referent en haar kinderen in Ethiopië. De biologische moeder van eiser heeft een toestemmingsverklaring ondertekend, maar geen identiteitsbewijs met handtekening overgelegd zodat verweerder niet kan verifiëren of de gestelde biologische moeder ook daadwerkelijk de toestemmingsverklaring heeft ondertekend. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder van de gestelde biologische moeder van eiser mag verwachten dat zij naast het ondertekenen van de toestemmingsverklaring ook meewerkt aan een DNA-onderzoek om te verifiëren dat zij daadwerkelijk de biologische moeder van eiser is. De rechtbank is echter voorts van oordeel dat niet is gebleken dat door verweerder een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, zoals genoemd in het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019 in de zaak E. (C-635/17 ), waarbij rekening is gehouden met de persoon van eiser en de situatie waarin hij en de overige bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinsleden, zich bevinden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom gelet op de aangedragen feitelijke situatie van eiser, de overige gezinsleden en zijn gestelde biologische moeder desondanks van de gestelde biologische moeder van eiser verwacht wordt dat zij met achterlating van haar andere kinderen de reis vanuit Eritrea onderneemt naar Ethiopië voor afname van DNA bij de Nederlandse post aldaar, terwijl een alternatief in Eritrea aanwezig is. Immers uit de door eiser aangehaalde mededeling van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer en uit het verweerschrift blijkt dat verweerder afspraken heeft gemaakt met de IOM en UNHCR zodat het in bepaalde, bijzondere gevallen wel mogelijk is om door deze organisaties in Eritrea DNA te laten afnemen. Ook is onvoldoende gemotiveerd door verweerder, mede in het licht van voorgaande overwegingen uit het arrest E. over de belangen van het kind, waarom het voor rekening en risico van eiser komt dat zijn gestelde biologische moeder niet bereid is om naar Ethiopië te reizen. Daarbij heeft verweerder niet kenbaar betrokken dat zij deze reis naar Ethiopië enkel voor eiser maakt omdat zij niet zelf een mvv in het kader van nareis heeft aangevraagd. Evenmin is door verweerder kenbaar betrokken dat de langdurige procedure voor afgifte van een paspoort aan de biologische moeder voor haar reis, hetgeen niet door verweerder is betwist, ertoe leidt dat het langer duurt voordat eiser, de echtgenote en andere kinderen herenigd kunnen worden met referent dan wanneer verweerder afname van het DNA in Eritrea mogelijk maakt. Door vast te houden aan het vereiste dat de biologische moeder afreist naar Ethiopië voor afgifte van DNA, terwijl dit in Eritrea ook mogelijk is via tussenkomst van het IOM en UNHCR, wordt afbreuk gedaan aan het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn.Ten slotte is de rechtbank ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, ondanks het voorgaande, geen sprake is van een bijzondere situatie, zoals genoemd door de staatssecretaris in zijn toezeggingen aan de Tweede kamer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen