Rb. Den Haag 17 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7172
Kort geding in verband met (zesde) verzoek tot gratie. De Staat heeft niet onrechtmatig jegens eiser gehandeld. Artikel 3 EVRM is door de Staat niet geschonden. Ook is niet aannemelijk geworden dat de Staat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De Staat heeft het gerechtshof ten behoeve van het nog op te stellen nader advies met betrekking tot het ingediende gratieverzoek voldoende geïnformeerd en heeft alle verlofverslagen en verlofbeslissingen aan het gerechtshof toegezonden. Aan de toezegging van de Staat het gerechtshof (aanvullende) informatie te verstrekken zal geen termijn worden verbonden. In verband met de bij eiser bestaande twijfel over de noodzaak van opname in het Pieter Baan Centrum heeft de Staat voldoende aannemelijk gemaakt dat met het oog op het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid en het gedrag en de ontwikkeling van eiser een onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut adequater kan plaatsvinden door observatie in het Pieter Baan Centrum dan door middel van een ambulant onderzoek in de penitentiaire inrichting waar eiser thans verblijft, nu observatie een omgeving creëert waarin eiser ‘gewoon gedrag’ moet laten zien. In verband met de wachttijd en de observatieperiode van eiser in het Pieter Baan Centrum kan de Staat geen uitvoering geven aan de wens van het gerechtshof om binnen drie maanden door het NIFP en de Dienst Justitiële Inrichtingen hierover te worden geïnformeerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl