Rb. Den Haag 25 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6556

De machtiging tot binnentreden vermeldt dat de machtiging wordt gegeven op grond van artikel 1 tot en met 12 van de Algemene Wet op het Binnentreden (Awbi) en artikel 53, 53a, tweede lid, 27, 44a dan wel artikel 45 van de Vw 2000. In deze zaak gaat het om binnentreden met het doel om eiser staande te houden met het oog op inbewaringstelling. Er is niet voorafgaand aan het binnentreden voldaan aan de verplichting tot legitimatie en meedelen van het doel van de komst. De machtiging tot binnentreden kan niet op artikel 44a zijn gebaseerd omdat niet is binnengetreden met het doel om eiser over te dragen. De machtiging kan ook niet op artikel 53 van de Vw 2000 zijn gebaseerd omdat eiser een Dublinclaimant is, en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. De bevoegdheden tot binnentreden op grond van de artikelen 27 en 45 mogen slechts worden aangewend teneinde de vreemdeling uit te zetten. Uitzetting is hier echter niet aan de orde. Artikel 53a van de Vw 2000 bevat geen bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming. Dit betekent dat geen van de in de machtiging aangehaalde wetsartikelen in dit geval een grondslag bevatte voor de bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het proces-verbaal van binnentreden vermeldt voorts geen feiten of omstandigheden die de bevoegdheid zouden meebrengen tot binnentreden zonder legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden, zonder machtiging tot binnentreden of zonder toestemming van de bewoner binnentreden. Belangenafweging valt in het voordeel van eiser uit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken