Rb. Den Haag 5 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6095
Hongarije, statushouders, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Popov, Tarakhel, official indifference, juridische situatie, feitelijk situatie, serious deprivation or want incompatible with human dignity, Ibrahim e.a. tegen Duitsland. In dit geval hebben eisers de stelling dat terugkeer naar Hongarije strijdig is met artikel 3 EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest onderbouwd met algemene documenten die aanleiding geven voor gerede twijfel, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank is gehouden zelf nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie in het desbetreffende land in het kader van zijn vergewisplicht, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. (…) Hierbij dient verweerder te betrekken dat eisers, een alleenstaande moeder met minderjarige kinderen, als “kwetsbare personen” worden beschouwd in de zin van de rechtspraak van het EHRM in de zaken Popov tegen Frankrijk van 19 januari 2012 en Tarakhel. Verweerder heeft zich, ‘met betrekking tot de juridische positie van statushouders, terecht op het standpunt gesteld dat statushouders onder de Hongaarse wet gelijk zijn aan Hongaarse staatsburgers. De rechtbank volgt eisers echter in hun betoog ‘dat wat betreft de positie van statushouders in Hongarije een zeer wezenlijk verschil bestaat tussen het wettelijk kader (de juridische situatie) en de daadwerkelijke situatie (de feitelijke situatie). De rechtbank is van oordeel dat de houding van de Hongaarse autoriteiten moet worden aangemerkt als ‘official indifference’ zoals bedoeld in de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 nu de autoriteiten doelbewust onwelwillend zijn richting statushouders. Verweerder stelt dat uit het feit dat aan eisers internationale bescherming is verleend blijkt dat de Hongaarse autoriteiten de intentie hebben eisers te ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter niet dat bij dit standpunt van verweerder de belangen van het kind een essentiële overweging hebben gevormd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende invulling gegeven aan zijn vergewisplicht. ‘Naar het oordeel van de rechtbank ligt het bij deze stand van zaken op de weg van verweerder om concrete (individuele) garanties van de Hongaarse autoriteiten te verkrijgen met betrekking tot huisvesting, sociale voorzieningen, toegang tot medische voorzieningen en toegang tot integratie, zodat is gewaarborgd dat eisers – een alleenstaande moeder met jonge minderjarige kinderen – bij terugkeer naar Hongarije niet terecht komen in een situatie van “serious deprivation or want incompatible with human dignity” die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 20 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1612
- ABRvS 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442
- Rb. Oost-Brabant 12 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6150
- Rb. Den Haag 30 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15458
- Rb. Limburg 21 september 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:8934
- ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1792
- ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793
- ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794
- ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795
- Rb. Den Haag 5 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4944
- EHRM 30 mei 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013
- ABRvS 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253
- ABRvS 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621
- EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- ABRvS 14 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1606
- EHRM 27 augustus 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410
- EHRM 19 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0119JUD003947207