Rb. Den Haag 12 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6005
Vrijwaringsincident: vrijwaringsbepaling in Fenex-voorwaarden. Arbitragebeding uit de Fenex-voorwaarden staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering tot vrijwaring. De rechtbank kan niet nu reeds in het kader van de beoordeling van dit incident vooruitlopen op een mogelijk beroep op dat beding, dat alleen tot onbevoegdheid van de rechtbank in de vrijwaringszaak leidt indien een partij zich vóór alle weren op het bestaan daarvan beroept, tenzij het beding ongeldig is (artikel 1022 Rv). Ivm de reeds opgelopen vertraging gaat vrijwaringszaak niet gelijk op met hoofdzaak. Afwijzen verzoek om aanhouding en afwijzing pleitverzoek wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank maakt gebruik van haar bevoegdheid ex artikel 20 Rv om maatregelen te treffen tegen onredelijke vertraging van de procedure en bepaalt dat niet wordt toegestaan vóór de conclusie van antwoord bij afzonderlijke conclusie nieuwe incidenten op te werpen. De reeds opgelopen vertraging en de in artikel 208 lid 3 Rv vervatte regel dat incidentele vorderingen zoveel mogelijk tegelijk worden ingesteld, vergen dat eventuele nieuwe incidenten gecombineerd met de conclusie van antwoord worden ingediend.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 20 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 134 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 208 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 210 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:166 BW6
- Artikel 6 EVRM