Rb. Den Haag 7 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5970

Verweerder heeft de afgifte van een EU/EER document geweigerd, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij samen met referent, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, tenminste drie maanden heeft samengewoond in Letland. Volgens eiseres heeft verweerder de bewijsstukken te streng beoordeeld en is hij uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Verweerder had moeten beoordelen of er sprake was van een “reëel en daadwerkelijk verblijf” bij een Unieburger. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat onder “reëel en daadwerkelijk verblijf” dient te worden verstaan: samenwonen op één plek en van daaruit een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank is het met eiseres eens dat er in het bestuursrecht sprake is van een vrije bewijsleer, maar daar staat tegenover dat het aan verweerder en de rechtbank is om te beoordelen welke waarde aan de overgelegde indicatieve bewijsstukken moet worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de overgelegde indicatieve stukken niet heeft aangetoond dat er sprake was van een ”reëel en daadwerkelijk verblijf” bij een Unieburger. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de door eiseres aangedragen getuigen onder ede te horen, omdat verweerder niet heeft bestreden dat hun verklaringen juist zijn en hij bij de beoordeling ook niet is uitgegaan van de onjuistheid van de verklaringen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen