Rb. Den Haag 26 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3144
Verweerder heeft de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf bij familie” naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen, omdat niet is gebleken van ‘more than emotional ties’ tussen eiseres en haar dochter (referente). Anders dan eiseres heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de invulling van het begrip ‘more than emotional ties’ terecht heeft gekeken naar de vraag of eiseres zodanig afhankelijk is van de zorg van referente zoals voortvloeit uit het arrest van het EHRM in de zaak Senchishak v. Finland van 18 november 2014, nr. 5049/12. Dat verweerder over exclusieve afhankelijkheid spreekt en het EHRM het in rechtsoverweging 57 van het laatst vermelde arrest heeft over ‘necessarily dependent’ maakt voor de rechtbank in dit verband geen (wezenlijk) verschil. Verder kan het beroep van eiseres op het gestelde gezins- en familieleven tussen eiseres en haar andere dochter en kleinkinderen niet tot een ander oordeel leiden, omdat op grond van artikel 8 van het EVRM getoetst dient te worden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl