Rb. Den Haag 28 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3086
Niet in geschil is dat de vreemdeling vanwege zijn seksuele geaardheid bij terugkeer naar Libië een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de vreemdeling echter niet in het bezit van een verblijfsvergunning gesteld omdat in zijn visie sprake is van een contra-indicatie. Volgens verweerder heeft de vreemdeling zich namelijk schuldig gemaakt aan een ‘ernstig misdrijf’ als bedoeld in paragraaf C2/7.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank is van oordeel dat verweerders beleid, gelet op de door het Hof van Justitie gegeven uitleg, in overeenstemming is met het begrip ‘ernstig misdrijf’ in artikel 17 van de Kwalificatierichtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter onvoldoende gemotiveerd dat in eisers geval op grond van het beleid sprake is van een ‘ernstig misdrijf’. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl