Rb. Den Haag 11 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1905

Gelet op de beroepsgronden beperkt het geschil zich tot de vraag of het verblijf in een vluchtelingenkamp in de provincie Duhok in de KAR is aan te merken als eisers vaste woon- of verblijfplaats. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, behoort eiser niet tot een kwetsbare minderheidsgroep. Indien het kamp niet als zijn vaste woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, behoort eiser, zo ook door verweerder ter zitting is bevestigd, wel tot een kwetsbare minderheidsgroep. Dit vindt zijn grondslag in paragraaf C7/13.4.3 Vc. De rechtbank verwijst voor de beoordeling van deze vraag naar onder andere de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012, waarin in rechtsoverweging 1.1 is bepaald dat bij de beoordeling in het land, dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3 Vw, zich voordoet, dient te worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats had. Tussen partijen is niet in geschil dat dit criterium ook in deze procedure, dus in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2 Vw van toepassing is. Verder blijkt uit deze uitspraak van de Afdeling, rechtsoverweging 1.4, dat voor die beoordeling van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden een vreemdeling in dat gebied dan wel land heeft verbleven en in hoeverre er gegronde redenen bestonden voor de vreemdeling om onder te duiken. De Afdeling duidt weliswaar geen periode aan op basis waarvan kan worden uitgegaan van een vaste woon- of verblijfplaats, maar ruim twee jaar werd door de Afdeling in de uitspraak van 18 september 2012 voldoende geacht. Uit de gehoren van eiser komt het volgende naar voren. Eiser heeft vier jaar in de KAR verbleven. Vanuit het eerste adres in de KAR is het gezin van eiser vrijwillig naar het kamp vertrokken, het gezin is al die tijd bij elkaar gebleven. Eiser heeft één week op school gezeten en is vervolgens, net als zijn broers, gaan werken in het dorp. Hij heeft geen problemen ondervonden sinds zijn verblijf in Duhok. De rechtbank stelt voorop dat eiser niet heeft onderbouwd en dat ook uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling niet blijkt, dat het enkele feit dat het een vluchtelingenkamp betreft gerund door de VN, reeds maakt dat niet van een vaste woon-of verblijfplaats kan worden gesproken. Van belang is dat eiser toegang had tot onderwijs en werk. De door eiser ter zitting toegelichte foto’s en plattegrond van het vluchtelingenkamp Sharia geven er eveneens geen blijk van dat sprake is van een dusdanige situatie dat niet gesproken kan worden van een vaste woon- en verblijfplaats. Het betreft grote, stevige tenten en de noodzakelijke basisvoorzieningen zijn aanwezig. Het enkele feit dat de familie is vertrokken vanwege wateroverlast maakt dit niet anders, nu eiser heeft verklaard dat de andere bewoners van dat kamp zijn gebleven. Verder acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken van enig gevaar voor eiser in de KAR. Er zijn in elk geval geen omstandigheden aangevoerd waaruit een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) blijkt. De rechtbank oordeelt dat dit alles maakt dat in deze situatie en in het licht van hetgeen is aangevoerd, Duhok kan worden aangemerkt als eisers vaste woon- en verblijfplaats en eiser daarmee niet valt onder een kwetsbare minderheidsgroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen