Rb. Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14251

vaststellen leeftijd bij inwilligende beslissing asiel, registratie in Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, samenwerkingsplicht, artikel 4 Kwalificatierichtlijn Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder heeft kunnen volstaan met de motivering dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan worden uitgegaan van de registraties van eiser in Italië, nu eiser geen officiële identiteitsdocumenten ter staving van zijn leeftijd heeft overgelegd. Uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat de vreemdeling alle elementen ter staving van zijn asielverzoek zo spoedig mogelijk moet indienen en dat de lidstaat tot taak heeft om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met verzoeker te beoordelen. Deze bepaling vereist naar het oordeel van de rechtbank niet dat onder relevante elementen uitsluitend officiële, door de autoriteiten van het land van herkomst afgegeven documenten kunnen worden verstaan. De verwijzing van verweerder naar jurisprudentie van de Afdeling, dat de registratie van eisers leeftijd in Eurodac uitsluitend met officiële documenten kan worden weerlegd, treft daarom geen doel. Dit zou er immers toe leiden dat een minderjarige vreemdeling afkomstig uit Eritrea, die stelt dat zijn leeftijd in een andere lidstaat onjuist is geregistreerd, en die als minderjarige in Eritrea stelt niet over officiële identiteitsdocumenten te hebben beschikt, deze registratie nooit zou kunnen weerleggen. Voor zover verweerder stelt dat hij aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan door nader onderzoek te laten doen naar de registraties in Italië, overweegt de rechtbank dat uit het arrest M. tegen Ierland volgt dat verweerder hiermee niet heeft kunnen volstaan. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verweerder aan de registraties in Italië een zwaar gewicht mag toekennen gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, laat dit onverlet dat uit artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn volgt dat verweerder ook tot taak heeft om andere relevante elementen in samenwerking met eiser te verzamelen én te beoordelen. Naast de registraties in Eurodac zijn ook (kopie)documenten (doopakte, family residence card en identiteitskaart van de moeder van eiser) ter onderbouwing van de identiteit inclusief de leeftijd van eiser, als relevante elementen te beschouwen. Uit het tweede lid van artikel 4 volgt immers dat de in het eerste lid bedoelde elementen – onder meer – bestaan uit de verklaringen van de verzoeker en alle documenten in het bezit van verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit en nationaliteit(en). Verweerder heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde gehecht aan de family residence card. Ook heeft verweerder de kopie van de identiteitskaart van de moeder van eiser in het geheel niet bij de beoordeling betrokken. Ook acht de rechtbank van belang dat verweerder bij de beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken in hoeverre eiser een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven en dat vast is komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zoals volgt uit artikel 4, vijfde lid, onder a en e van de Kwalificatierichtlijn. Gelet op hetgeen eiser heeft overgelegd en zijn verklaringen over het ontbreken van officiële documenten en gelet op artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de registraties in Italië, zonder nadere motivering dan wel nader onderzoek, niet doorslaggevend kunnen achten. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken