Rb. Den Haag 10 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12108
Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser voert allereerst aan dat Nederland ingevolge artikel 29, derde lid, Verordening 604/2013 al verantwoordelijk is geworden. Uit de bewoordingen van artikel 29, derde lid, kan worden afgeleid dat na een vernietiging van een overdrachtsbesluit in beroep de verzoekende lidstaat verantwoordelijk wordt. De rechtbank stelt vast, dat uit de bewoordingen van dit artikel uitdrukkelijk blijkt dat het om een situatie gaat waarin overdracht reeds heeft plaatsgevonden. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. De grond slaagt niet. Eiser voert voorts aan dat de overdrachtstermijn gelet op artikel 27, derde lid, sub c in samenhang met artikel 29 Verordening 604/2013 al verlopen is. Er is immers geen sprake geweest van opschortende werking in de zin van artikel 27, derde lid, Verordening 604/2013. De in hoger beroep aan verweerder toegewezen voorlopige voorziening kan niet als zodanig worden gezien. Ten eerste niet omdat artikel 27, derde lid geen hoger beroep bestrijkt en de werking van Verordening 604/2013 niet kan worden uitgebreid met de algemene bevoegdheid tot opschortende werking op grond van een nationale regeling. Ten tweede niet omdat artikel 27 Verordening 604/2013 een rechtsmiddel aan een vreemdeling toekent tegen een overdrachtsbesluit en niet aan de autoriteiten tegen vernietiging van het overdrachtsbesluit, in ieder geval voor zover dat gaat om de voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening van de vreemdeling ziet immers op het niet overgedragen worden voordat op het rechtsmiddel is beslist. De voorlopige voorziening van de autoriteiten ziet op het opschorten van de overdrachtstermijn. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat ook een aan verweerder in hoger beroep toegewezen voorziening een opschorting is als bedoeld in artikel 27, derde lid, Verordening 604/2013. De rechtbank stelt vast dat in artikel 27 en in artikel 29, eerste lid, Verordening 604/2013 niet wordt gesproken van hoger beroep, maar van bezwaar en beroep. Een uitleg als door eiser voorgestaan, namelijk dat artikel 27, derde lid geen hoger beroep bestrijkt, zou echter betekenen dat ook eiser het rechtsmiddel van hoger beroep niet toekomt nu ook in artikel 27, eerste lid, alleen wordt gesproken van bezwaar of beroep. Daar komt bij dat volgens de pre-ambule van Verordening 604/2013 (overweging 12) Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) van toepassing moet zijn op Verordening 604/2013 en dat volgens artikel 46, derde lid van de Procedurerichtlijn gelet op de bewoordingen “tenminste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg” het rechtsmiddel ook hoger beroep kan omvatten. De rechtbank verwijst voorts naar het arrest Petrosian (C-19/08, JV 2009/166) met betrekking tot Verordening 343/2003, het arrest Amayry (ECLI:EU:C:2017:675,C-60/16) waarin het Hof vaststelt dat de overdrachtstermijn van zes maanden pas aanvangt als de overdracht in principe is overeengekomen. En daarvan kan nog geen sprake zijn als er nog geen uitspraak is gedaan op het hoger beroep. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2170) en 27 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3506). De verwijzing door eiser ter zitting naar stukken met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis leidt evenmin tot een ander oordeel. De grond slaagt niet. Eiser voert voorts aan dat met het BMA-advies geen antwoord wordt gegeven op de vraag of sprake is van een risico op aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht aan Frankrijk, als bedoeld in het arrest C.K. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in het bestreden besluit genoemde voorzorgsmaatregelen niet heeft voldaan aan hetgeen in overweging 81 en 82 van het arrest C.K. is voorgeschreven. Weliswaar zal eiser alleen worden overgedragen als hij wordt vergezeld door een psychiatrisch verpleegkundige en bij aankomst fysiek kan worden overgedragen aan een psychiatrische kliniek. Echter, in de email van 16 augustus 2019 stellen de behandelaars van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht dat zij de kans reëel achten dat eiser bij een overdracht aan Frankrijk opnieuw een zelfmoordpoging zal doen en dat een psychiatrisch geschoolde medewerker die met hem meereist daar waarschijnlijk niets aan zal veranderen. De rechtbank concludeert daaruit dat met de voorzorgsmaatregelen niet iedere ernstige twijfel, zoals bedoeld in overweging 76 van het arrest C.K., is weggenomen. Immers, uit het bestreden besluit blijkt dat tijdens de reis zelf geen andere voorziening wordt getroffen dan begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige, terwijl dat volgens de behandelaars aan een kans op een zelfmoordpoging niets zal veranderen. Weliswaar heeft verweerder ter zitting gesteld, dat ook escorts zullen meegaan op de vlucht, echter dit is niet in het bestreden besluit, en overigens ook niet in het BMA advies, opgenomen. Uit arrest C.K. als ook uit de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2986) volgt dat de beoordeling of met de vereiste voorzorgsmaatregelen als bedoeld in overwegingen 81 en 82 iedere twijfel kan worden weggenomen reeds ten tijde van het overdrachtsbesluit moet worden genomen. De beroepsgrond slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl