Rb. Den Haag 26 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11684
“In deze uitspraak wordt (onder meer) antwoord gegeven op de vraag of de onderhavige opvolgende asielaanvraag ten onrechte in de zogenaamde Eendagstoets (EDT) procedure is behandeld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Volgens verweerders beleid weergegeven in paragraaf C1/2.9 Vreemdelingencirculaire kan verweerder in een EDT procedure in het geval van een opvolgende asielaanvraag waarbij een beroep is gedaan op de gestelde verslechterde algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst en verweerder de beoordeling kan doen op grond van informatie die uit openbare bronnen beschikbaar is, afzien van horen. Dit beleid (dat is gewijzigd bij WBV 2019/9) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2019. Omdat overgangsrecht ontbreekt, heeft WBV 2019/9 en het daarin vervatte gewijzigde beleid ten aanzien van paragraaf C1/2.9 onmiddellijke werking. Dit beleid (daaronder begrepen de onmiddellijke werking daarvan, dus ook de gelding daarvan ten aanzien van opvolgende aanvragen als de onderhavige die zijn ingediend voor 1 juli 2019) komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank acht dit ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat dit beleid en het bepaalde in artikel 3.118, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 waarin ook de mogelijkheid van niet horen wordt geboden, gelijk betoogd door verweerder, geen strijd opleveren met de Procedurerichtlijn, nu in artikel 14, tweede lid, Procedurerichtlijn en artikel 42, tweede lid, aanhef en onder b, Procedurerichtlijn de mogelijkheid bestaat voor lidstaten om bij de beoordeling van een aanvraag een persoonlijk onderhoud achterwege te laten.”
De uitspraak op rechtspraak.nl