Rb. Den Haag 24 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11556
Bevoegdheid Nederlandse rechter om kennis te nemen van de met de echtscheidingsprocedure samenhangende voorlopige voorzieningen. Hoewel de minderjarige feitelijk al enige tijd in Polen verblijft, acht de rechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over de toevertrouwing van de minderjarige en de vaststelling van een voorlopige zorgregeling op grond van artikel 10 van de Brussel II-bis Verordening. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige nog immer in Nederland is.
De uitspraak op rechtspraak.nl