Rb. Den Haag 2 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10325

Een Russische vreemdeling verzoekt op grond van artikel 8:88 van de Awb schadevergoeding. De asielaanvragen van verzoekster zijn in het verleden meerdere malen tot in hoger beroep afgewezen. Na haar uitzetting is zij in Rusland direct gedetineerd en in detentie is zij mishandeld en verkracht. Verzoekster is terug gevlucht naar Nederland en verweerder heeft op grond van de gebeurtenissen van na de uitzetting een asielvergunning verleend. De rechtbank heeft naar aanleiding van verschillende arresten van het EHRM bij de beoordeling de besluitvorming voorafgaand aan de uitzetting meegenomen als ook de gebeurtenissen van na de uitzetting. Verzoekster had in de laatste procedure zeven originele documenten en een deskundigenrapport overgelegd. Hoewel de Kmar zich niet kon uitlaten over de authenticiteit va de zeven documenten, had de deskundige van verzoekster verklaard dat de documenten ‘appear to be geniune and plausible’. Bewijs voor het tegendeel of dat de documenten vals waren, was er niet. Naar het oordeel van de rechtbank had het dan ook op de weg van verweerder gelegen om bij twijfel hieraan, gelet op de verklaringen van verzoekster ter zake en het rapport van de deskundige, de inhoud van de documenten te verifiëren. Verweerder had in het kader van de Bahaddar-exceptie in elk geval pas op de plaats moeten maken om dusdoende een reële mogelijkheid te creëren voor nader onderzoek naar de documenten (rigorous scrutiny) en verzoekster niet daags na de uitspraak moeten uitzetten naar Rusland met alle gevolgen van dien. Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze specifieke omstandigheden door zijn handelwijze het risico heeft geaccepteerd dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM zou plaatsvinden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken