Rb. Den Haag 7 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9746
Tegen een besluit tot verlenging van de bewaring als bedoeld in artikel 59b, derde lid, staat ingevolge de Vw 2000 geen beroep open. Daarom is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het separate beroep tegen dit verlengingsbesluit. Dit laat echter onverlet dat eiser wel op elk gewenst moment op grond van artikel 96, eerste lid, een volgberoep instellen tegen het voortduren van de bewaring, in welk kader tevens kan worden opgekomen tegen de rechtmatigheid van bedoeld verlengingsbesluit. In dat kader overweegt de rechtbank dat eiser ten tijde van het verlengingsbesluit – gelet op de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag o.g.v. artikel 30b, eerste lid, onder b, d en g, – geen rechtmatig verblijf had o.g.v. artikel 8, onder h, en dat de bewaring o.g.v.artikel 59b, eerste lid, onder b en c om die reden niet kon worden verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid. De verwijzing van verweerder naar de uitspraken van het HvJEU van 5 juli 2018 (C. J. en S. tegen Nederland) en van 19 juni 2018 (Gnandi tegen België), leidt niet tot een ander oordeel. Het is aan de wetgever om de Vw 2000 in overeenstemming te brengen met voornoemde jurisprudentie van het HvJEU. Niet kan worden bewerkstelligd dat middels het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling de situatie van eiser alsnog kan worden geschaard onder artikel 8, aanhef en onder h. Bovendien had eiser dan nog geen rechtmatig verblijf op die grond gedurende de periode dat beroep kon worden ingesteld. Door de tijdige indiening van een beroep met vovo had eiser ten tijde van het verlengingsbesluit evenmin rechtmatig verblijf op die grond, terwijl dat wel is vereist om de bewaring op grond van het derde lid van artikel 59b te kunnen verlengen. Volgberoep gegrond, opheffing van de bewaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl