Rb. Den Haag 10 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7708

De man verzoekt de rechtbank de ambtenaar te gelasten de geboorteakte van de minderjarige in te schrijven in het daarvoor bestemde register, met veroordeling van de ambtenaar in de kosten van de procedure. De ambtenaar heeft de inschrijving van de geboorteakte gweigerd omdat sprake is van een draagmoederconstructie. Aan de orde is de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland opgemaakte akte van de minderjarige. De rechtbank heeft geoordeeld dat toetsing van een hoogtechnologisch draagmoederschap in het kader van de openbare orde - zeker gelet op de complexiteit van deze zaken en het maatschappelijk belang bij een dergelijke toetsing - voorbehouden dient te zijn aan de rechter. Het gaat immers om een rechtsverhouding die naar Nederlands recht thans niet mogelijk is, althans niet wettelijk is geregeld. De rechtbank stelt vast dat het draagmoederschaptraject in casu met voldoende waarborgen lijkt te zijn omkleed, die grotendeels overeenkomen met de aanbevelingen van de Nederlandse Staatscommissie herijking ouderschap van december 2016. Hierbij acht de rechtbank het vooral van belang dat de belangen van de draagmoeder en het kind voorop staan, in die zin dat de draagmoeder goed voorbereid en begeleid wordt en het kind in staat zal zijn te achterhalen van wie hij afstamt. De inschrijving van de buitenlandse geboorteakte wordt gelast en het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen