Rb. Den Haag 4 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5647
Aanvraag gezinshereniging. Middelenvereiste. Verweerder heeft onterecht nagelaten alle door eisers en referent aangevoerde individuele omstandigheden te betrekken in zijn concrete beoordeling van de situatie van eisers en referent. Referent heeft volgens een jaaropgaaf over 2016 een bruto-jaarinkomen genoten dat boven het voor dat jaar geldende referentiebedrag ligt. Het ligt daarom in de rede te veronderstellen dat referent op het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst heeft verworven. Dit doet er weliswaar niet aan af dat ten tijde van het bestreden besluit niet vast stond dat het inkomen van referent nog een half jaar beschikbaar was, maar daarbij moet worden meegewogen dat referent al sinds 1997 legaal arbeid verricht en dat hij al sinds juli 2015 werkzaam is op basis van tijdelijke contracten bij dezelfde werkgever, die telkens zijn verlengd. Ook heeft verweerder ten onrechte het betoog van eisers ten aanzien van de algemene heffingskorting niet bij zijn beoordeling betrokken. Hoewel verweerder terecht stelt dat eiseres en referent ten tijde van het bestreden besluit geen recht hadden op de algemene heffingskorting, omdat zij geen fiscale partners zijn, gaat verweerder er aan voorbij dat, indien het eiseres wordt toegestaan zich bij referent in Nederland te vestigen, zij en referent automatisch fiscaal partner worden en vanaf dan wel in aanmerking komen voor de algemene heffingskorting. Het doel van het middelenvereiste is immers om enige zekerheid te bieden dat referent, na overkomst van de vreemdeling, voldoende inkomen geniet om in het onderhoud van het gezin te voorzien en zo te voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op het systeem van sociale bijstand.
De uitspraak op rechtspraak.nl