Rb. Den Haag 12 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4365

Naheffingsaanslagen LB/PVV 2011-2013. Voor de aan eiser door zijn BV ter beschikking gestelde Lexus is een ´verklaring geen privégebruik auto´ zoals bedoeld in artikel 13bis, twaalfde lid, Wet LB afgegeven. Eiser heeft aangegeven over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 geen rittenregistratie te hebben bijgehouden. Naar aanleiding van het voornemen van verweerder tot het opleggen van een naheffingsaanslag legt eiser alsnog een rittenregistratie over die hij nadien op basis van zijn agenda verbetert en aanvult. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet erin is geslaagd aan te tonen dat de Lexus in elk van de in geschil zijnde jaren voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Met eiser moet worden ingestemd dat ook anders dan door middel van een rittenregistratie het van hem te verlangen bewijs kan worden geleverd, maar hetgeen eiser in dit verband heeft aangeleverd is daartoe evenwel onvoldoende. De eerste achteraf opgemaakte rittenregistratie voldoet niet aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten. De op 20 januari 2015 overgelegde bijgestelde rittenregistratie, waarvan verweerder op goede gronden heeft gesteld dat deze op relevante aspecten verschilt van de eerste rittenregistratie, bevat over het geheel ook te veel onnauwkeurigheden om als overtuigend bewijs te kunnen dienen. Eisers opvatting dat met de achteraf opgestelde rittenregistratie ondanks een paar kleine foutjes toch over het geheel genomen genoegzaam wordt aangetoond dat de Lexus niet privé is gebruikt, volgt de rechtbank niet. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. De enkele verklaring van eiser dat hij pertinent niet privé met de Lexus heeft gereden als ook de omstandigheid dat hem privé een Audi Q7 ter beschikking staat, maken het voorgaande niet anders. Voorts is terecht een verzuimboete opgelegd. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen