Rb. Den Haag 13 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3092

Verweerder heeft eiser het bepaalde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser, die in Syrië als dienstplichtig soldaat heeft gediend bij de orde- en handhavingsdienst/oproerpolitie en in die hoedanigheid werd ingezet bij het neerslaan en onderdrukken van vreedzame demonstraties, persoonlijk een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door de veiligheidsdienst gepleegde mensenrechtenschendingen (personal participation). Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2011 inzake Duitsland tegen B. en D. (ECLI:EU:C:2010:661) concludeert de rechtbank dat verweerder eiser eerst van de vluchtelingenstatus kan uitsluiten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft begaan of anderszins daaraan heeft deelgenomen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder een dergelijk onderzoek, toegespitst op het optreden van de oproerpolitie in de periode van januari 2012 tot augustus 2012, heeft verricht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken