Rb. Den Haag 9 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15858
Intrekking verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder beperking ‘studie’, procesbelang, Studierichtlijn, evenredigheidsbeginsel en verdedigingsbeginsel Eiser beschikte vanaf 1 januari 2017 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’ (hierna: de verblijfsvergunning) bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Op 5 december 2017 heeft de HvA bij verweerder gemeld dat eiser is gestopt met zijn studie en dat deze wijziging geldt vanaf 10 november 2017. Verweerder heeft de verblijfsvergunning met ingang van 15 december 2017 ingetrokken, omdat er op dat moment ook geen andere onderwijsinstelling als erkende referent voor eiser optrad. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat bij schrijven van 20 augustus 2018 aan de Hogeschool Inholland het voornemen bekend is gemaakt om aan eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen met de beperking ‘studie’ met een geldigheidsduur van 1 september 2018 tot en met 30 november 2022. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraken van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1749 en 15 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8862) volgt dat procesbelang aanwezig is bij het doorprocederen over een verblijfsgat in een reguliere zaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser belang heeft bij de onderhavige procedure. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in elk geval vanaf 15 december 2017 niet meer studeerde aan de HvA en dat hij vanaf die datum ook geen andere studie volgde bij een erkende onderwijsinstelling. Gelet hierop voldeed eiser vanaf 15 december 2017 niet meer aan de beperking ‘studie’ waaronder de verblijfsvergunning was verleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, op grond van artikel 19 Vw, in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, Vw, de verblijfsvergunning van eiser heeft kunnen intrekken. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in de door eiser gestelde omstandigheid, dat hij zich inmiddels had aangemeld voor een andere studie in het studiejaar 2018/2019 bij Hogeschool Inholland, aanleiding had moeten zien om op grond van artikel 21, zesde lid, Studierichtlijn dan wel het (ook in het zevende lid van dit artikel vervatte unierechtelijk evenredigheidsbeginsel) verblijf in Nederland toe te staan. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 21, zesde lid, van de Studierichtlijn, is omgezet in Nederlands recht, namelijk in artikel 3. 89a Vb. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet ziet op de situatie van eiser. Immers, artikel 3.89a Vb heeft betrekking op de situatie dat de erkenning van de referent is geschorst of ingetrokken en dat een student, in afwachting van een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning onder de beperking studie, niet wordt afgewezen. In het geval van eiser is daarvan echter geen sprake nu eiser uit eigen beweging zijn studie bij de HvA heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl