Rb. Den Haag 21 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1550

De asielaanvraag van de vreemdeling is als kennelijk ongegrond afgewezen. De vreemdeling verblijft in AZC Budel. Het Coa (verweerder) heeft kenbaar gemaakt dat de vreemdeling op 22 januari om 8:00 uur uit de opvang wordt verwijderd omdat zijn opvang van rechtswege is beëindigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is derhalve sprake van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder de in artikel 5 Rva vermelde passage ‘ingevolge de Vw 2000’ ook dient te worden verstaan hetgeen is bepaald in het Vb, in het bijzonder artikel 7.3 Vb. De voorzieningenrechter acht voorts van belang de beantwoording door de staatssecretaris van vragen gesteld in de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2014-2015, 34 088, nr. 6, p. 33-34). Daarin verwijst de staatssecretaris naar artikel 46, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn waaruit volgt dat het instellen van beroep in beginsel tot gevolg heeft dat de vreemdeling de uitkomst van de beroepsprocedure in de lidstaat mag afwachten. In het zesde lid is opgenomen dat in een aantal gevallen, zoals wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is of niet-ontvankelijk, een beroepschrift geen schorsende werking heeft. In dat geval is een rechterlijke instantie bevoegd om uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven. In Nederland is dit de procedure om een voorlopige voorziening. Het achtste lid bepaalt dat de verzoeker gedurende deze procedure om een voorlopige voorziening op het grondgebied van de lidstaat mag verblijven. In dat geval bestaat er ook recht op opvang, aldus de staatssecretaris. De voorzieningenrechter volgt deze interpretatie van de Procedurerichtlijn. Hetgeen door verweerder in de onderhavige zaak is aangevoerd, doet daaraan niet af. De verwijzing door verweerder naar kamerstukken en een standpunt van de Raad voor de Rechtspraak uit 2008 hebben betrekking op de eerdere aanmeldprocedure. Deze procedure is met de invoering van nieuwe Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) in 2015 dusdanig gewijzigd dat de verweerder niet in zijn standpunt kan worden gevolgd. Daarbij wijst de voorzieningenrechter op artikel 83b, eerste en derde lid, Vw, waarin is bepaald dat de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak doet indien de aanvraag is afgewezen in de algemene asielprocedure dan wel als de asielaanvraag – onder meer – kennelijk ongegrond is verklaard. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw ter implementatie van de (herziene) Procedure- en Opvangrichtlijn met ingang van 20 juli 2015 ingevoerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze bepaling de voortvarendheid waar verweerder op wijst al besloten ligt. Gelet op het voorgaande mag, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening hangende zijn beroep tegen het afwijzende besluit in zijn asielprocedure in Nederland afwachten, zodat beëindiging van de opvang hangende dit verzoek door verweerder achterwege dient te blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen