Rb. Den Haag 21 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15341
Asiel. AMV’er uit Guinee. Vaststaat dat eiser in Guinee slachtoffer is geweest van kindermishandeling door familie. Na een eerdere procedure bij de rechtbank is ook vast komen te staan dat verweerder onvoldoende dragend heeft gemotiveerd dat eiser bescherming in kan roepen bij de autoriteiten van Guinee. In deze procedure heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser van humanitaire aard zijn waaraan een deel van de bevolking in Guinee in het algemeen is blootgesteld en dat, hoewel eventueel een schending van artikel 3 van het EVRM, kindermishandeling niet valt te kwalificeren als ernstige schade in de zin van artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Daarom komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder verwezen naar het arrest M’Bodj. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Uit het arrest M’Bodj valt volgens de rechtbank af te leiden dat een derdelander niet op grond van de Kwalificatierichtlijn in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming indien zijn problemen niet zijn veroorzaakt door één van de genoemde actoren, in het geval van gevaren waaraan de bevolking in een land in het algemeen is blootgesteld. De stiefmoeder- en broers zijn in het geval van eiser juist aan te merken als actoren in de zin van de Kwalificatierichtlijn. De vergelijking met M’Bodj gaat niet op. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl