Rb. Den Haag 8 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1518

Moeder en dochter bewonen gezamenlijk de woning die in eigendom toebehoort aan de moeder. De moeder verkoopt de woning aan de dochter waarna de gezamenlijke bewoning wordt voortgezet. Binnen zes maanden na die verkoop overlijdt de moeder. De inspecteur heeft het aangegeven saldo van de nalatenschap verhoogd met een fictieve verkrijging. Volgens hem is materieel sprake van de overdracht van de woning met voorbehoud van het recht van bewoning en gebruik omdat de moeder na de overdracht in het huis is blijven wonen. De rechtbank oordeelt dat noch uit de akte van levering noch uit de aangifte blijkt dat de woning is verkocht onder het voorbehoud van gebruik en bewoning. Er is daarom geen sprake van een in juridische zin gevestigd vruchtgebruik. Het enkele feit dat de moeder na de overdracht in de woning is blijven wonen en, zoals de inspecteur ter zitting heeft gesteld de gehele woning mocht gebruiken, is onvoldoende om te stellen dat daarmee een recht van gebruik en bewoning in economische zin is ontstaan. Ook de dochter kon immers de gehele woning gebruiken zodat geen sprake is van een situatie waarin de dochter enkel het bloot eigendom had van de woning en de moeder het (uitsluitende) recht van gebruik en bewoning. Dat de moeder tezamen met de dochter in de woning mocht blijven wonen kan dan ook slechts worden beschouwd als een persoonlijk gebruiksrecht dat door de dochter aan de moeder is toegekend. De inspecteur heeft dan ook ten onrechte de waarde van de woning als fictieve verkrijging in aanmerking genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken