Rb. Den Haag 3 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14632
Zonder voldoende nadere motivering van de zijde van verweerder, valt niet in te zien waarom de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser, in het licht van de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, niet leiden tot de conclusie dat de behandeling die hij heeft ondergaan in ieder geval aangemerkt kan worden als een onmenselijke of vernederende behandeling. In zoverre kleeft er aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Voorts acht de rechtbank zich, op basis van het onderzoek dat is verricht door verweerder, niet in staat om vast te stellen of sprake is geweest van een behandeling die dient te worden gekwalificeerd als ‘foltering’. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen daarvoor wel een indicatie, maar zijn daarvoor niet voldoende concreet. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om door te vragen tijdens het nader gehoor, dan wel een aanvullend gehoor te houden. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl