Rb. Den Haag 5 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14445
Op grond van artikel 24, derde lid, van de Dublinverordening en de uitspraak van 7 juni 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:1911) heeft een lidstaat, waar de vreemdeling zonder verblijfstitel verblijft, ondanks een bestaand asielverzoek in een andere lidstaat, de mogelijkheid de vreemdeling in de gelegenheid te stellen een nieuw asielverzoek in te dienen. Een lidstaat die deze gelegenheid biedt, moet de vreemdeling daarbij uitleggen dat op zijn asielverzoek in de andere lidstaat niet zal worden beslist. Als de vreemdeling vervolgens welbewust en weloverwogen weigert een nieuw asielverzoek in te dienen, dan heeft de vreemdeling zijn asielverzoek in de andere lidstaat daarmee prijsgegeven. In dat geval bestaat er geen concreet aanknopingspunt meer voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Uit de in deze uitspraak opgenomen fragmenten blijkt dat eiser meermaals de gelegenheid is geboden tot het indienen van een nieuw asielverzoek in Nederland. Uit eisers antwoorden volgt dat hij dat niet wil omdat hij al asiel heeft aangevraagd in Duitsland. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat eiser niet begrijpt dat hij door zijn weigering een nieuwe aanvraag in te dienen zijn asielaanvraag prijsgeeft. Er is dan ook geenszins sprake van een weloverwogen en welbewuste weigering. Daar komt bij dat verweerders opmerking suggereert dat eiser zijn asielaanvraag reeds heeft prijsgegeven door zijn enkele vertrek uit Duitsland. Hieruit kan eiser onmogelijk opmaken dat hij zijn verzoek om internationale bescherming nog kan behouden door in Nederland een nieuw asielverzoek te doen. Daarom een concreet aanknopingspunt voor de Dublinverordening. Daardoor onjuiste grondslag inbewaringstelling en onrechtmatig terugkeerbesluit en inreisverbod. Gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl