Rb. Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13137
Onrechtmatige overheidsdaad. Zaak over invoering en intrekking van artikel 15, lid 4, Reglement rijbewijzen, waardoor het tijdens de geldigheidsduur van deze bepaling (de vrijstelling) mogelijk werd om met rijbewijs B kleine hybride elektrische vrachtagens van meer dan 3500 kg, maar minder dan 7500 kg te besturen. Vervoerder, die chauffeurs in dienst had met rijbewijs B, die alleen gedurende de periode van vrijstelling de hybride vrachtwagens mochten besturen, spreekt de Staat aan voor schade bestaande uit de kosten van en samenhangend met het moeten laten behalen van rijbewijs C door deze chauffeurs na intrekking van de vrijstelling. Geen strijd met het egalite-beginsel. Invoering vrijstelling is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat bij de invoering voldoende duidelijk is gemaakt dat het om een tijdelijke maatregel ging in verband met een proeftuin, om bij voorkeur op korte termijn ervaring op te doen. Omdat bij invoering duidelijk was dat het om een tijdelijke maatregel ging, leidt het nalaten om een regeling van overgangsrecht en/of een compensatieregeling te treffen bij intrekking van de vrijstelling niet tot schadeplichtigheid van de Staat. Wel is het nalaten van de Staat om bij invoering van de vrijstelling de hem bekende maximale (initiële) duur daarvan te vermelden, in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en onrechtmatig jegens eiseres. Dit leidt niet tot schadeplichtigheid van de Staat, vanwege het ontbreken van het daarvoor vereiste causaal verband. De vrijstelling was reeds enkele jaren van kracht toen eiseres in 2014 overging tot de aanschaf van de hybride vrachtauto’s. De chauffeurs met rijbewijs B hadden dus hoe dan ook op enig moment gedurende de economische levensduur (van acht jaar) van de hybride vrachtauto’s moment rijbewijs C moeten halen.
De uitspraak op rechtspraak.nl