Rb. Den Haag 7 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10934
Afwijzing wrakingsverzoek. De wrakingskamer stelt voorop dat de gebruikelijke werkwijze bij het Kabinet van de rechter-commissaris dat een reactie van een officier van justitie niet voordat een beslissing wordt genomen wordt doorgezonden aan de raadsman van een verdachte, met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor, op zichzelf merkwaardig is. Hiermee wordt de verdachte de mogelijkheid (geen recht) ontnomen om te reageren op het standpunt van de officier van justitie. Ook het feit dat de rechter-commissaris niet inhoudelijk heeft gereageerd op de uitdrukkelijke vraag van de raadsman van verzoeker waarom hem de schriftelijke reactie van de officier van justitie van 7 augustus 2018 niet is doorgestuurd, is ongelukkig te noemen. Deze gang van zaken is naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende om aan te nemen dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Overige wrakingsgronden betreffen processuele beslissingen. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien zo’n beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Zowel ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris geen herstelbeschikking op te maken en bij haar eerdere beslissing van 8 augustus 2018 te blijven als ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris om de hernieuwde verzoeken ex artikel 227 Sv en 185 Sv niet in behandeling te nemen met de opmerking dat deze op de eerstvolgende zitting bij de rechtbank kunnen worden herhaald, is geen sprake van (zodanig) onbegrijpelijke beslissingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl