Rb. Den Haag 1 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9201
Verweerder heeft eiser erkend als Verdragsvluchteling, maar eiser komt niet voor vergunningverlening in aanmerking, omdat sprake is van een contra-indicatie in de zin van het beleid genoemd in C2/7.10.1 Vc. Immers, eiser is veroordeeld voor in totaal meer dan 10 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en daarmee is sprake van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’, aldus verweerder. Nog afgezien van de vraag of de optelsom, zoals deze in het beleid van verweerder is opgenomen, ook van toepassing is bij een verdragsvluchteling, gelet op het aparte kopje dat daarvoor in het beleid is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleidsregel dat aan de norm van tien maanden ook wordt voldaan (en dus van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ sprake is), als de veroordelingen bij elkaar opgeteld die tien maanden overtreffen, niet strookt met artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb Deze artikelen, en ook overigens artikel 33 Vluchtelingenverdrag, spreken immers van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ en bieden ook verder geen aanknopingspunten voor de kwantitatieve normering van het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ zoals verweerder in zijn beleid heeft bepaald. Het begrip ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ is een unierechtelijk begrip, dat zich niet leent voor een afwijkende uitleg door verweerder. Verweerder kan dan ook aan de vaststelling, dat sprake is van ‘een bijzonder ernstig misdrijf’, in dit geval niet ten grondslag leggen dat eiser is veroordeeld voor een gevangenisstraf van in totaal zeventien maanden, wegens strijd met de artikelen 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn en artikel 3.105c, aanhef en onder b, Vb. Nu verweerder aan zijn conclusie, dat er sprake is van een contra-indicatie, niet de “optelsom” uit zijn beleid als genoemd in C2.7.10.1 Vc ten grondslag kan leggen en verweerder zich afgezien van de contra-indicatie onvoorwaardelijk en uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld, dat eiser als een verdragsvluchteling kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, is de rechtbank van oordeel dat thans nog slechts één besluit mogelijk is, namelijk het inwilligen van de aanvraag van eiser.
De uitspraak op rechtspraak.nl