Rb. Den Haag 25 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9159
Asiel, inwilligende beslissing op grond van artikel 29a Vw, vaststelling nationaliteit/staatloosheid, procesbelang De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen rechtens te respecteren belang heeft bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het besluit waarbij aan haar de gevraagde verblijfsvergunning is verleend. De aanvraag van eiseres strekte tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht, omvat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet tevens de vaststelling van de nationaliteit of staatloosheid van de vreemdeling. Weliswaar maakt de vaststelling of beoordeling van de geloofwaardigheid van de nationaliteit of staatloosheid onderdeel uit van de beoordeling door verweerder van de vraag of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, en is het daarom aannemelijk dat verweerder een standpunt heeft over de geloofwaardigheid van het element van het asielrelaas van eiseres dat zij stelt staatloos Palestijn te zijn, maar nu hij aan haar de gevraagde verblijfsvergunning heeft verleend, heeft eiseres in het kader van deze procedure geen zelfstandig belang bij het verkrijgen van inzicht in de aan dat besluit ten grondslag liggende motivering, waaronder het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid van de door haar gestelde staatloosheid. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres zich kan wenden tot de gemeente waarin zij staat ingeschreven in de BRP met een verzoek op grond van artikel 2.58 van de Wet BRP tot verbetering van haar gegevens in de BRP inzake haar nationaliteit. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de gemeente moet krachtens artikel 2.58, tweede lid, van de BRP aan een verzoek tot verbetering van de eiseres betreffende gegevens uitvoering geven met inachtneming van, onder meer, artikel 2.17 van de Wet BRP (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2229). Dat betekent dat verweerder in dat kader alsnog aan het college zal moeten meedelen of hij in het kader van de toelatingsprocedure van eiseres aannemelijk heeft geacht dat zij staatloos Palestijn is, zoals zij aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Tegen een besluit van het college op het verzoek tot verbetering van haar gegevens in de BRP kan eiseres zonodig bezwaar en beroep instellen. In die procedure kan zij haar standpunt aan de orde stellen dat het college bij de inschrijving van haar nationaliteit als ‘onbekend’ niet heeft mogen afgaan op de mededeling van verweerder krachtens artikel 2.17 van de Wet BRP, nu verweerder daarbij geen inzicht heeft gegeven in zijn standpunt over de aannemelijkheid van de door eiseres gestelde staatloosheid in het kader van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
De uitspraak op rechtspraak.nl