Rb. Den Haag 19 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:885

Eiser was in Syrië werkzaam als directeur van een waterleidingbedrijf. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in verband kan worden gebracht met het uithongeren van burgers als methode van oorlogsvoering, waarbij het opzettelijk onthouden van drinkwater als onderdeel van uithongering moet worden beschouwd. Dit is een misdrijf tegen de menselijkheid en een oorlogsmisdrijf. Aangenomen wordt dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf en dat eisers handelen er in wezenlijke mate toe heeft bijgedragen dat het Syrische regime het misdrijf heeft kunnen plegen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt kunnen stellen. Eisers eigen verklaringen geven hiertoe voldoende aanleiding en gezaghebbende openbare bronnen bevestigen dat het misdrijf heeft plaatsgevonden. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet eerder aan het begane misdrijf kon onttrekken. Hij wordt dan ook niet van de verantwoordelijkheid voor zijn daden gevrijwaard wegens het handelen onder dwang.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken