Rb. Den Haag 19 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7241

Opheffen ongewenstverklaring en SIS-signalering, openbare orde, artikel 1F, asielvergunning in VK Artikel 6.6, eerste lid, aanhef onder a, en vierde lid, van het Vb, artikel 27, tweede lid, van richtlijn 2004/38, artikel 8 EVRM, artikel 25, tweede lid, van SIS II Samenvatting: Eiser is in 2007 ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wegens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en heeft in 2016 verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring en daaraan gekoppeld de verwijdering van zijn signalering uit het SIS. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel in het Verenigd Koninkrijk. Eiser heeft niet betwist dat hij sinds zijn ongewenstverklaring niet tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven. Eiser heeft niet voldaan aan de verplichting om bij zijn aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring relevante gegevens te verstrekken als bedoeld in artikel 6.6, vierde lid, van het Vb. Uit de afgifte van een verblijfsvergunning asiel in het Verenigd Koninkrijk blijkt niet gedurende welke periode eiser in Turkije en het Verenigd Koninkrijk heeft verbleven. Evenmin blijkt daaruit dat eiser zich sinds zijn vertrek uit Nederland niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of is onderworpen aan strafvervolging. Dit betekent dat verweerder niet toekomt aan de vraag of het gevaar voor de openbare orde is geweken en derhalve de vraag of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die verweerder ertoe nopen de ongewenstverklaring eerder op te heffen. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als begunstigde in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Richtlijn 2004/38 niet op hem van toepassing is en verweerder terecht niet aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium heeft getoetst, maar aan de nationale regelgeving over de opheffing van de ongewenstverklaring. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verblijfsvergunning asiel die eiser in Engeland heeft en het feit dat zijn echtgenote en kinderen de Britse nationaliteit hebben zich niet verzetten tegen een signalering in het SIS. Beroep ongegrond. Eventuele opmerkingen:

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen