Rb. Den Haag 19 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6679
Verweerder heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat aan de correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor, vanwege het karakter daarvan, niet die waarde wordt gehecht die eiser wenst. Ofschoon het indienen van correcties en aanvullingen vormvrij is, wordt overwogen dat het louter in de kantlijn van het gekopieerde rapport van nader gehoor plaatsen van handgeschreven losse opmerkingen zonder nadere uitleg over de grondslag van die aanvullingen, als onvoldoende serieus beschouwd om hier betekenisvolle aandacht aan te schenken. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat alle correcties en aanvullingen op het nader gehoor buiten beschouwing zijn gelaten omdat sprake zou zijn van wijzigingen in of aanvullingen van verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd, zonder dat daarvoor een nadere toelichting wordt gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank mist deze stelling van verweerder feitelijke grondslag, nu niet alle correcties en aanvullingen zodanige inhoudelijke wijzigingen in of aanvullingen van verklaringen van eiser betreffen, dat eiser hierop een nadere toelichting behoort te geven. Immers, een deel van de correcties en aanvullingen zijn bedoeld om kennelijke onjuistheden of taalkundige onjuistheden of tikfouten weg te nemen, of om een verklaring nader te verduidelijken. Bij dergelijke correcties en aanvullingen behoeft eiser geen nadere toelichting te geven waarom deze zijn gemaakt. Nu verweerder in dit geval categorisch alle correcties en aanvullingen buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van de aanvraag van eiser, terwijl verweerder heeft gesteld dat het maken van correcties en aanvullingen vormvrij is en hij bovendien geen voorbeelden heeft gegeven van correcties en aanvullingen die niet leesbaar zouden zijn, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank benadrukt hierbij dat de vreemdeling niet alleen door het afleggen van verklaringen tijdens het nader gehoor, maar ook door middel van de mogelijkheid om correcties en aanvullingen op die verklaringen in te brengen, in de gelegenheid is om zijn relaas naar voren te brengen en daarmee zijn verzoek om internationale bescherming te staven. De rechtbank wijst in dit verband op paragraaf 3.2.1.1 van de Werkinstructie 2014/10 van 1 januari 2015 (WI 2014/10) en op artikel 17, derde lid, Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat de verzoeker, bij de afsluiting van het persoonlijke onderhoud of binnen een bepaalde termijn voordat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt, in de gelegenheid wordt gesteld om mondeling en/of schriftelijk opmerkingen te maken en/of opheldering te verschaffen over verkeerd vertaalde passages of misvattingen in het verslag of de schriftelijke weergave. De betekenis van de correcties en aanvullingen moet derhalve niet worden onderschat
De uitspraak op rechtspraak.nl