Rb. Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067
Vestia stelt ontslagen werknemer, voormalig kasbeheerder, op de voet van artikel 7:661 BW aansprakelijk voor de schade bestaande uit afkoop van de derivatenportefeuille van Vestia in 2012. Vordering wordt toegewezen, met veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. Voormalig kasbeheerder heeft bewust roekeloos gehandeld door onvoldoende zicht te houden op de liquiditeitsrisico’s van de derivatenportefeuille die zich eind 2011 hebben gemanifesteerd en door daarover onjuiste mededelingen te doen aan de Raad van Commissarissen. Voormalig kasbeheerder heeft doorbetalingen aanvaard van een gedeelte van de fees die banken betaalden aan introducing broker voor derivaten die Vestia afsloot. Het in verband daarmee gemaakte leidende verwijt dat de voormalig kasbeheerder zich in alle aspecten van zijn taakuitoefening heeft laten leiden door zijn met de doorbetalingen gediende eigenbelang treft geen doel, net zo min als het verwijt over de uitvoering van zijn taak bij de opbouw en het beheer van de derivatenportefeuille. De nu door Vestia als ongeschikt voor een woningcorporatie aangeduide derivatenportefeuille paste binnen de kaders van het destijds geldende financieel beleid van Vestia. Bij de vaststelling van de omvang van de schade is het met de afkoop van de derivatenportefeuille het uitgangspunt. Dit bedrag moet – als gevolg van de eiswijzigingen van Vestia – worden verminderd met het bedrag waarvoor de voormalig werknemer verhaal heeft op onder meer de voormalig bestuurder, zijn voormalig leidinggevende en de voormalig commissarissen met wie Vestia schikking heeft getroffen, welk verhaalsbedrag naar redelijke verwachting van de rechtbank hoger zal zijn dan de bedragen van de schikkingen. Ook dienen de schadeverweren in de schadestaatprocedure aan de orde te komen. Vordering tot betaling van schade als gevolg van de doorbetalingen wordt niet getoetst aan artikel 7:661 BW maar aan artikel 6:162 BW: het enige verband met de taakuitoefening is gelegen in de mogelijkheid om de doorbetalingsafspraak te maken en uit te voeren. De doorbetalingsafspraak is onrechtmatig jegens Vestia. Voormalig kasbeheerder is aansprakelijk en schadeplichtig voor de schattenderwijs begrote schade van € 11.450.500. Ontslag op staande voet onverwijld gegeven en op grond van dringende reden: met de doorbetalingsafspraak heeft de voormalig kasbeheerder het voor de uitoefening van zijn functie onontbeerlijke vertrouwen op ernstige wijze geschonden. De voormalig werkgever is een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 jo 7:680 BW verschuldigd aan Vestia. Advocaatkosten in de proceskostenveroordeling zijn bepaald aan de hand van de ‘salarissen rolzaken kanton’ nu het een op de voet van artikel 98 Rv naar de meervoudige kamer van de rechtbank verwezen zaak betreft. Eerdere/verwante vonnissen van deze rechtbank: ECLI:NL:RBDH:2015:51, ECLI:NL:RBDH:2015:248, ECL:NL:RBDH:2015:7401 en ECLI:NL:RBDH:2016:6309.
De uitspraak op rechtspraak.nl