Rb. Den Haag 12 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:5906
De Afdeling heeft bij uitspraak van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:210) overwogen dat uit de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn niet kan worden afgeleid dat een uitzondering voor één of meer groepen bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat het uitzonderen van een bepaalde groep binnen het doel en de opzet past van de huidige Procedurerichtlijn, en het vereiste dat - ook als een vreemdeling afkomstig is uit zo’n veilig land - elke asielaanvraag individueel beoordeeld wordt, zoals uitdrukkelijk in artikel 36, eerste lid, van de huidige Procedurerichtlijn wordt voorgeschreven. Het uitzonderen van een bepaalde groep draagt daarmee bij aan het waarborgen van de door het Vluchtelingenverdrag en het EVRM - die ten grondslag liggen aan het gemeenschappelijk Europees asielstelsel in het algemeen en de huidige Procedurerichtlijn - vereiste bescherming van asielzoekers, strookt met de considerans, de context en de doelstelling van de huidige Procedurerichtlijn en past daarom binnen de doelstellingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel als geheel. Het maken van zo'n uitzondering is derhalve rechtmatig. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel om anders te oordelen ten aanzien van de mogelijkheid om een of meer deelgebieden uit te zonderen van de aanwijzing van een veilig land van herkomst. De rechtbank sluit daarbij aan bij conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2040) waarin wordt geconcludeerd dat een land kan worden aangemerkt als veilig land, met een geografische beperking voor een (onveilig) deel ervan, voor zover een duidelijke scheidslijn kan worden aangebracht tussen het veilige en het niet-veilige deel. Verweerder heeft in dat verband terecht erop gewezen dat Abchazië en Zuid-Ossetië geografisch gezien weliswaar deel uitmaken van Georgië, maar de facto twee onafhankelijke republieken zijn, die niet onder het gezag staan van de Georgische autoriteiten. De grenzen van deze republieken zijn duidelijk te scheiden van de rest van Georgië. De omstandigheid dat verweerder Georgië heeft aangewezen als veilig land van herkomst met een uitzondering voor de deelrepublieken Abchazië en Zuid-Ossetië, leidt daarom, anders dan de rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft overwogen in de uitspraak van 27 januari 2017, thans niet tot de conclusie dat de regeling tot aanwijzing van Georgië als veilig land van herkomst, onverbindend is.
De uitspraak op rechtspraak.nl