Rb. Den Haag 23 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:5551
Verweerder heeft zich gezien het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat beëindiging van de Wajong-uitkering niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 1a:8, derde lid, van de Wajong 2015. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl