Rb. Den Haag 8 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14586
Verondersteld kan worden dat de opvolgende aanvragen van eisers zijn ingediend om uitzetting te voorkomen. Tussen partijen is, gezien het verhandelde ter zitting, ook niet in geschil dat de aanvraag mede is ingegeven door de inbewaringstelling en de aangekondigde uitzetting. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat zich hier geen situatie voordoet waar artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e van het Vb 2000 op ziet. De rechtbank overweegt hierbij dat het dossier voldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat de herhaalde aanvraag niet louter is ingediend om uitzetting te voorkomen. Niet in geschil is immers dat eisers al geruime tijd doende zijn geweest om de huidige asielaanvragen voor te bereiden, nadat in februari 2017 bleek dat zij niet konden volstaan met overlegging van onvertaalde documenten. Deze onvertaalde uit Iran verkregen documenten bevonden zich bij verweerder. Nadat eisers vergeefs hebben verzocht deze documenten terug te krijgen, hebben zij opnieuw de documenten op moeten vragen in Iran. Daarnaast hadden eisers sinds augustus 2017 een nieuwe gemachtigde die – hetgeen overigens ook in het belang van verweerder is – niet een slecht onderbouwde asielaanvraag wilde begeleiden. Verder acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van eisers vanaf het moment dat zij bij eisers betrokken raakte voortdurend in gesprek was met de Dienst Terugkeer en Vertrek en met verweerder over deze herhaalde aanvraag en de problemen die zich voordeden om de aanvraag te onderbouwen
De uitspraak op rechtspraak.nl