Rb. Den Haag 13 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1458

Artikel 12, lid 2, onder b, van de Studierichtlijn voorziet in de mogelijkheid het verblijf van een student, die onderdaan is van een land buiten de Europese Unie, te beëindigen indien door hem of haar onvoldoende studievoortgang is geboekt. Deze bepaling is op juiste wijze geïmplementeerd in nationale wetgeving. Verweerder en referent stellen zich allebei op het standpunt dat het de ander is die moet beoordelen of sprake is van dusdanige redenen dat de studievertraging verschoonbaar is. Door deze verantwoordelijkheid bij de ander neer te leggen heeft noch verweerder, noch referent een volledige beoordeling gemaakt van alle door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden met inachtneming van alle ingebrachte medische stukken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee gehandeld in strijd met artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, op grond waarvan verweerder de bevoegdheid heeft om een verblijfsvergunning in te trekken bij onvoldoende studievoortgang. Verweerder kan pas overgaan tot intrekking van de verblijfsvergunning nadat hij alle relevante feiten en omstandigheden in kaart heeft gebracht en een kenbare belangenafweging heeft gemaakt., waarvan de vraag of sprake is van redenen die de studievertraging verschoonbaar maken onderdeel uitmaakt

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen