Rb. Den Haag 29 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14283
Geen nieuwe elementen of bevindingen, artikel 3.1 Vb 2000, asielmotieven, opvolgende asielaanvraag, Irak, Iraakse Wetboek van Strafrecht van de binnenlandse Veiligheidskrachten, geen eerlijk strafproces, louter, politieagent, politiepersoneel, levensomstandigheden in de gevangenissen, Richtlijn 2013/32/EU, Procedurerichtlijn, verwijtbaarheid, niet eerder hadden kunnen en dus behoren te worden aangevoerd, uitzetting, langdurige absentie, ongemotiveerd bevestigd, Bahaddar tegen Nederland, toekomstige onzekere gebeurtenis, mere possibility, onmenselijke behandeling of bestraffing, artikel 3 EVRM, geen evidente schending. Samenvatting: Voor zover verzoeker heeft gesteld dat er mogelijk strafrechtelijke consequenties zijn verbonden aan zijn vertrek uit Irak, betreft dat een toekomstige onzekere gebeurtenis. Verzoeker heeft geen concrete aanknopingspunten aangeboden waarom juist hij strafrechtelijk gedetineerd zal gaan worden. Op verzoeker betrekking hebbende documenten, zoals bijvoorbeeld een arrestatiebevel, ontbreken. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van blootstelling aan een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 EVRM is onvoldoende, zodat in het geval van verzoeker geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat bij terugkeer in Irak sprake van een evidente schending van artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder derhalve op goede gronden tot de conclusie gekomen dat aan de tweede asielaanvraag van verzoeker geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd die tot een heroverweging van het asielbesluit in de eerdere asielprocedure kunnen leiden. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich in dit geval een situatie voordoet waar artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, Vb 2000 op ziet en dat er voldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de opvolgende aanvraag louter is ingediend om uitzetting te voorkomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door verzoeker overgelegde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 november 2017 (AWB 17/14904 en AWB 17/14906) hem niet kan baten. Immers, in die zaak waren, anders dan in het geval van verzoeker, de asielzoekers al geruime tijd – ruim voordat een uitzettingsdatum bekend werd - doende hun opvolgende asielaanvragen voor te bereiden. Ook waren zij voortdurend met de Dienst Terugkeer & Vertrek en verweerder in gesprek over deze aanvragen en de problemen die zich voordeden om de aanvraag te onderbouwen.
De uitspraak op rechtspraak.nl