Rb. Den Haag 30 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14103
In geschil is of de werknemer minder loon heeft genoten in verband met verlof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit en in verband bezien hiermee of bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon artikel 6 van het Dagloonbesluit moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de PAS-regeling vergelijkbaar is met het in de Nota van Toelichting genoemde BAPO-verlof, zodat het een vorm van verlof betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit. Gelet hierop heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan artikel 6 van het Dagloonbesluit, zodat terecht tot uitgangspunt is genomen dat het loon over de maand november 2016 in aanmerking genomen moet worden voor de periode februari 2016 tot en met december 2016. Vervolgens is in geschil of verweerder artikel 6 van het Dagloonbesluit op een juiste wijze heeft toegepast. Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit van 9 april 2015, Stb. 2015, nr. 152, blz. 21 volgt dat bij de dagloonvaststelling werd uitgegaan van het loon dat een werknemer zou hebben verdiend als hij geen verlof had gehad. Gelet op deze strekking dient artikel 6, eerste lid, hier alleen te worden toegepast ten aanzien van het reguliere loon (zie ook de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1955). De eindejaarsuitkering, maar ook het vakantiegeld dient weliswaar in de vaststelling van het dagloon te worden betrokken, maar slechts eenmalig en niet maandelijks zoals verweerder heeft gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl