Rb. Den Haag 23 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14060
Betreft aanslag forensenbelasting (FB) opgelegd aan in Italië woonachtige Nederlander met betrekking tot recreatiewoning in Nederland. Niet is in geschil dat ingevolge de toepasselijke verordening FB is verschuldigd. In geschil is de verbindendheid van de verordening. De rechtbank oordeelt allereerst dat het in de verordening gemaakte onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners overeenstemt met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 223, eerste lid, Gemeentewet en dat dit onderscheid gelet op artikel 120 Grondwet niet kan worden getoetst aan het discriminatieverbod van artikel 1 Grondwet (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917). De rechtbank oordeelt vervolgens dat geen grond bestaat om in afwijking van eerdere jurisprudentie (onder meer ECLI:NL:HR:2001:BI7844) dit onderscheid in strijd te achten met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Bij het onderscheid is voorts geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Nu FB wordt geheven van iedere natuurlijke persoon ongeacht zijn of haar de nationaliteit faalt eisers beroep op artikel 18 VWEU. Ook eisers beroep op de artikelen 63 VWEU (vrijheid van kapitaalverkeer) en 107 VWEU (verboden staatssteun) faalt. De FB kan voorts niet worden aangemerkt als een beperking op het vrij verrichten van diensten als bedoeld in de artikel 56 en 57 VWEU. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4069 oordeelt de rechtbank dat de heffing van forensenbelasting niet in strijd is met het communautaire evenredigheidsbeginsel. Van strijd met artikel 54 VWEU is voorts evenmin sprake. Er is ten slotte geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid bestaat omtrent de uitleg van de begrippen ´vrijheid van kapitaalverkeer´, ´vrijheid van dienstenverkeer´ en ´staatssteun´.
De uitspraak op rechtspraak.nl