Rb. Den Haag 10 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1295
Voorschotten zorgtoeslag 2015 en 2016. In geschil is of verweerder terecht X als de toeslagpartner van eiseres heeft aangemerkt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat als zij als pleegkind van X op grond van artikel 4, eerste lid, van de Awir met een bloedverwant in de neergaande lijn moet worden gelijkgesteld. Daarmee valt een pleegkind ook onder de uitzonderingssituatie van artikel 3, vijfde lid, van de Awir. De rechtbank overweegt dat eiseres, de dochter van de zuster van X, na het overlijden van de zuster van X bij X in huis is komen wonen en is verzorgd en opgevoed als een eigen kind van X. Eiseres is na het bereiken van de 18-jarige leeftijd als lid van het gezin bij X blijven wonen. Zij volgde op dat moment nog een opleiding. Dat voor de kosten van de verzorging van eiseres een pleegzorgvergoeding op grond van de Jeugdwet is toegekend, betwist eiseres niet. Een pleegzorgvergoeding wordt in het algemeen toegekend totdat het pleegkind 18 jaar wordt. Dat dit in dit geval anders is, is gesteld noch aannemelijk gemaakt. Ook uit het door verweerder aanvankelijk ingenomen standpunt volgt dat met ingang van de datum waarop eiseres 18 jaar is geworden, de pleegzorgvergoeding is geëindigd. De rechtbank stelt vast dat met ingang van de datum waarop eiseres 18 jaar is geworden niet langer sprake is van een pleegzorgvergoeding. De positie van eiseres verschilt vanaf dat moment niet van de positie van een eigen kind, dat gedurende zijn opleiding bij zijn ouder(s) blijft wonen. Of eiseres aanspraak kan maken op studiefinanciering is hierbij niet van belang, nu ook eigen kinderen, die bij hun ouders (blijven) wonen, onder omstandigheden aanspraak kunnen maken op studiefinanciering. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat voor de toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Awir de relatie pleegouder-pleegkind eindigt bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd door het pleegkind, nu dit artikel juist ziet op de situatie dat meerderjarige kinderen bij hun ouders (blijven) wonen. De rechtbank concludeert dat voor de toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Awir, eiseres in ieder geval vanaf het moment dat zij de 18-jarige leeftijd heeft bereikt en niet langer een pleegzorgvergoeding werd ontvangen als pleegkind van X met een bloed- of aanverwant in de neergaande lijn moet worden gelijkgesteld en dat eiseres, totdat zij bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt, niet als toeslagpartner van X kan worden aangemerkt. De beroepen zijn gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl