Rb. Den Haag 2 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12666
Eiser wil in aanmerking komen voor zorg ingevolge de Wlz. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij eiser op grond van zijn problematiek sprake is van de grondslag verstandelijke handicap als bedoeld in de Wlz en hiermee of hij toegang heeft tot de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat in de medisch adviezen inzichtelijk en concludent is gemotiveerd dat er geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, zoals bedoeld in de Wlz. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het IQ van eiser voor het eerst in 2015 is geschat op 27 jarige leeftijd en dat er geen gemeten tendens beschikbaar is vanaf zijn 18e levensjaar. Daarbij komt dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van het geschatte IQ in 2015, niet is gebleken dat de daaruit voortvloeiende beperkingen al voor het 18e jaar aanwezig waren. Dit geldt temeer nu niet kan worden uitgesloten dat er andere oorzaken zijn voor een achteruitgang in het cognitief functioneren van eiser na zijn 18e levensjaar. Derhalve kan eiser geen rechten ontlenen aan de Wlz op de grondslag verstandelijke handicap. Onder verwijzing naar de Wlz en de bijbehorende wetsgeschiedenis is de rechtbank van oordeel dat zijn psychiatrische problematiek geen toegang tot de Wlz geeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl